Voor redacteuren

TIEN Plus organiseert regelmatig cursussen voor de redacteuren, zoals journalistiek (met Frits Baarda), fotografie en het opmaken van kranten. Daarnaast is er een aantal bijeenkomsten per jaar waar ruimte is om ontwikkelingen te bespreken en ervaringen uit te wisselen, onder het genot van een hapje en drankje.

Tips voor journalisten

Start schrijven
In hoofdstuk 1 van het Trouw Schrijfboek schrijft Jaap de Berg: De verleiding is groot om maar meteen te beginnen met schrijven. Maar, ook al dringt de tijd, rust een minuut en neem de tijd om je de volgende vragen te stellen:

Voor wie schrijf ik?
Het maakt verschil of je voor je eien vakgenoten een tekst schrijft of voor lezers van een huis-aanhuis-blad. Haal je de lezer zo concreet mogelijk voor ogen. Misschien je overbuurvrouw?

Welke toon sla ik aan?
Probeer zoveel mogelijk in spreektaal te denken en te schrijven. Daarmee voorkom je ‘remmend spraakgebruik’ zoals: ‘in verband met het feit dat’ of: ‘zaterdag jongstleden gebeurde het dat’, enzovoort.

Welke vragen zou de lezer kunnen hebben?
Probeer die vragen meteen al te beantwoorden. Geef in elk geval antwoord op de vragen: wie, wat, waar, wanneer en waarom. Bedenk dat de lezer voortdurend het recht heeft te vragen: Hoebedoelu?

Zijn alle begrippen duidelijk?
Verduidelijk als dat nodig is. Bijvoorbeeld: Met de recente vangst was het quotum ruim overschreden. Welk quotum? Kabeljauw of haring? Voor alleen deze week of het hele jaar? Wie stelt dat quotum vast, de EU of de visserij?

Snap ik het nog?
Klopt alles wel? Lees je tekst eerst een keer na met deze vragen in je hoofd. Pas daarna ga je met de spellingscontrole aan de slag.

Valt er nog iets te verduidelijken?
Wees niet bang om dingen verder te verduidelijken aan de hand van voorbeelden, of vergelijkingen. Bijvoorbeeld: Door overstroming staat driekwart van de Gangesdelta onder water. Uitleg: Dat is een gebied tweemaal zo groot als Nederland.

Ben ik tevreden?
Nee? Probeer er dan achter te komen waarom niet. Leg je tekst een tijdje weg – een paar dagen als dat kan – en kijk er opnieuw naar. Wees niet te snel tevreden! We streven niet naar perfectie, wel naar kwaliteit.

Tot zover Jaap de Berg (enigszins ingekort)

Leesbaarheid
Een tekst is goed leesbaar wanneer je prettig kunt doorlezen. Dat houdt in dat je geen ingewikkelde lange zinnen moet maken. Schrijf kort, schrijf boeiend. Wanneer een tekst saai of moeilijk wordt, haakt de lezer af en begint met een ander artikel. Dat willen we niet! Hou het eenvoudig, maak geen tussenzinnen of bijzinnen. Korte, soepel lopende zinnetjes lezen het lekkerste weg.

Let op:
Veel komma’s en puntkomma’s? Dan zijn je zinnen te lang, maak ze korter, of maak er twee zinnen van. Combinaties van werkwoorden, bijvoorbeeld: ‘is voortgekomen uit’ kan korter: ‘kwam voort uit’. Bijvoorbeeld: ‘De folders zullen dan kunnen worden opgehaald op 3 november’. Dit wordt: ‘De folders worden opgehaald op…’

Koppen
De kop zegt over wie het gaat in het artikel en wat die persoon doet. Meer niet. Een kop moet zo actief mogelijk zijn. Begin het schrijven van je artikel niet met de kop, dat lukt vaak ook niet. Schrijf eerst je artikel en kijk dan welke tekst bij de intro hoort, verdeel in alinea’s, liefst met een tussenkop. Pas als je hele tekst af is kun je bepalen wat de beste kop is. Hoe boeiender de kop, des te eerder wordt je artikel gelezen.

Intro
In de stel je de ‘wie, wat, waar’, voor aan je lezers. De antwoorden op wanneer en waarom volgen verderop in je artikel. Begin dus nooit met een datum. Maak de intro niet te lang, vier of vijf zinnen zijn voldoende.

Tussenkop
Een tussenkop bestaat uit één, hooguit twee woorden. Zo’n kopje moet iets zeggen over de komende alinea. En verder de woordenstroom aangenaam onderbreken. Maar ook kan het voor iemand een reden zijn om in je artikel ‘in te steken’, bij dat bepaalde kopje te gaan lezen. Bijvoorbeeld een woord als: gratis trekt gegarandeerd de aandacht van je lezers!

Ouderwetse woorden
Niet gebruiken, daar wordt je tekst oubollig van. Vermijd woorden als: echter, hetgeen, zodanig, veelvuldig, daadwerkelijk en dergelijke. Schrijf spreektaal, blijf leesbaar.

Tekstlengte
Als een artikel boeiend geschreven is kan het natuurlijk niet lang genoeg zijn! Nee, dat klopt niet, een hele pagina nodigt niet uit tot lezen. Veel mensen slaan zo’n tekstbrij juist over, of haken halverwege af. Dus: 500 tot 600 woorden is echt lang genoeg. Heb je meer informatie, hak je artikel dan in twee stukken van 400 woorden. Dan kan de pagina antrekkelijker worden opgemaakt met twee koppen.

Leestekens
Eén is genoeg, dus geen drie vraagtekens of vijf uitroeptekens. Of 20 punten na een onvoltooide zin. In geschreven tekst kun je je zinnen beter afmaken. Aanhalingstekens zijn dubbel bij een citaat, dat is een uitspraak van iemand. Enkele aanhalingstekens worden gebruikt bij titels en namen. Puntkomma’s mag je niet gebruiken, dan zijn je zinnen te lang. Ook geen backslash zoals: en/of, dat is voor formulieren, maak er gewoon en of van.

Niet doen
Tekst tussen haakjes zetten. Bij dat soort teksten haken mensen af. Bovendien wordt tekst tussen haakjes vaak overgeslagen, dus niet gelezen. Vaak zijn het ook bij- of tussenzinnen. Anders formuleren graag, liefst twee zinnen van maken. Het enige dat tussen haakjes mag is een afkorting. Zie afkortingen.

Geld en tijd
Het liefst schrijven we in leesteksten getallen zoveel mogelijk in woorden: drie kinderen, twee advertenties. De jaren ’60 en 15.000 euro mag wel, net als jaartallen: negentienhonderdnegenenzestig gaat niemand opschrijven. Wil je perse het geld bedrag officieel, schrijf het dan zo: € 25.000,-. Het euroteken zit onder Alt 0128. Maar 25.000 euro is mooier! Voor wat tijd betreft, veel mensen vinden het prettiger om te lezen dat iets om 4 uur ‘s middags begint dan om 16.00 uur. Maar als je de tijd in cijfers vermeldt, doe het dan zo: de bingo is van 20.00-22.30 uur, zaal open om 19.30 uur.

Afkortingen
Afkortingen gebruiken we niet in de krant. Veel mensen kennen de eenvoudigste afkortingen niet. Beperk je tot algemeen bekende zoals AOW of VMBO. Een afkorting van een naam mag je alleen gebruiken als je die eerst voluit hebt genoemd. De afkorting wordt dan tussen haakjes erachter vermeld. Bijvoorbeeld: wandelvereniging Willen is Kunnen (WIK) organiseert de avondvierdaagse in Dordrecht. Daarna kun je de afkorting WIK gewoon gebruiken in je tekst. Namen van mensen worden niet afgekort: de heer Jan van Dullemen en mevrouw van der Doel. Niet Dhr of Mw en ook niet v.d. gebruiken.

Slot
Sluit je artikel niet af met een bedankje aan de geïnterviewde persoon of de organisatie die informatie gaf. Ook niet met een groet of iets dergelijks. Je denkt misschien dat dat vriendelijk overkomt, maar het ziet er amateuristisch uit. Probeer een mooie slotzin te vinden of een conclusie waarmee je kunt afsluiten.

Vertrouwen
Vertrouw je mederedactieleden. Niemand is er opuit om jouw tekst te verminken of af te kraken. We streven met zijn allen naar een hoge kwaliteit in de krant. Dus met goeie teksten. Daarom moet een eindredacteur kritisch zijn. Maar ook de opmaker, want als de pagina er niet leuk uitziet wordt de tekst ook niet gelezen. Geef je eindredacteur dus de vrijheid en het vertrouwen om in je tekst te ‘rommelen’. De opmaker moet ook je toestemming hebben. Want dat met veel zorg en aandacht geformuleerde tussenkopje van jou kan weleens sneuvelen als het in de kolommen niet goed uitkomt. Die vrijheid moet er zijn. Vertrouw elkaar daarin, het streven is alleen naar een mooie krant.